Een kijkje in mijn werkplaats, het kaaspakhuis van voormalige melkfabriek 
'De Goede Verwachting' in Schoorl.

 

Mijn objecten ontstaan vanuit mijn passie voor oude, verweerde materialen, structuren en kleuren. Roest en houtworm schuw ik niet; de materialen en voorwerpen die ik sinds jaar en dag verzamel, vormen een veelzijdig palet: de basis voor mijn werken. 

 

 

 

 

Vanaf het moment dat ik kon lopen raapte ik dingen op van straat. Steentjes, botjes, scherfjes, oud spul. Altijd had ik van alles in m’n zakken om te bevoelen en te bekijken. Een piepklein stenen pijpenkopje, een gladgesleten zilveren gulden, een enorme paardentand of een verdroogde vlinderpop. Overal lagen verborgen schatten te wachten op ontdekking: een 18e eeuwse fles uit de bagger, een vogelmummie van onder de dakpannen en op elk grindpad waren fossielen te vinden. De planken op mijn kamer bogen door van de trofeeën: potscherven uit het bos bij ons huis, fossielen uit de St. Pietersberg, halfedelstenen uit Duitsland en tientallen dierenschedeltjes en botjes.

De grofvuilvondst van een oude gemarmerde archiefdoos van een overleden buurvrouw, vol met oude brieven, knipsels, jeugdfoto’s, ansichten en bidprentjes opende mijn ogen voor een andere wereld. Ik had met deze schat bij toeval een stukje verleden van deze vrouw in handen gekregen en de stille getuigenis van deze ‘levenssnippers’ greep me aan. Pas nu begrijp ik de paradox van dit voorval: na de dood van de oude vrouw waren haar herinneringen op het nippertje deel geworden van mijn jonge leven. Ik voelde me verantwoordelijk voor een vervliegende tijdgeest en dat gevoel heeft me nooit meer losgelaten.

 

Ik heb een grote fascinatie voor vergankelijkheid. Mijn materiaal is afgedankt, versleten, verschoten en verweerd. Het moet doorleefd zijn en gebruikssporen dragen. Ook heb ik een bijna visueel geheugen voor de vindplaats van spullen; belangrijk omdat deze deel uit maakt van de historie ervan, van het kleinste snippertje papier uit Amsterdam tot een roestig handvat van een Ierse begraafplaats.

Veel vind ik op straat of koop ik op rommelmarkten, kringloopwinkels en Marktplaats, maar ook krijg ik regelmatig materiaal van mensen die mijn werk kennen. Deze verzameling, mijn palet, is uitdijend, veranderlijk en vertrouwd, gehuisvest in mijn werkplaats, het kaaspakhuis van een voormalige melkfabriek in Schoorl.

Schetsen maak ik zelden, meestal bouw ik  een collage of assemblage rondom een beeldbepalend voorwerp zonder een eindresultaat voor ogen te hebben. Door passen en meten, materialen en voorwerpen te combineren en kleuren af te stemmen laat ik het beeld zijn weg zoeken zodat de uit hun oorspronkelijke context gehaalde onderdelen  ‘gereanimeerd’  worden in een uitgebalanceerde constructie, waarin de samengevoegde vormen of voorwerpen een nieuwe betekenis krijgen.

Dat passen en meten is een voortdurend proces van overwegingen want de gebruikte onderdelen zijn uniek en onvervangbaar: een plankje met een originele, prachtig gecraqueleerde rode verflaag uit een 150 jaar oude boerderij kan maar één keer verzaagd worden. Soms is het wel of niet gebruiken van materiaal een dilemma. De historische waarde en kwaliteit ervan zijn doorslaggevend zoals bij een 125 jaar oude encyclopedie met prachtige gravures en litho’s die wel bruikbaar is omdat de banden door nicotine en vocht aangetast zijn.

 

Terugkerende onderwerpen in mijn werk zijn: natuur, religie, muziek en techniek. Vergankelijkheid speelt hierin vaak een rol, er is meestal wel een verwijzing te vinden. Uit fascinatie voor het voorbije maar ook door het besef dat verleden en heden onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.